Artikel 4-2 van het KB WAP regelt het gebruik van cafetariaplannen binnen de sfeer van de aanvullende pensioenen voor werknemers. In dat artikel worden de prestaties opgesomd waarin kan worden voorzien in het kader van dergelijke plannen. Naast aanvullende pensioenen kan het uitsluitend gaan om inkomensvervangende en kostendekkende waarborgen met betrekking tot sociale risico’s (bv. verzekeringen arbeidsongeschiktheid, medische kosten of afhankelijkheid). Volgens die bepaling mogen andere voordelen, zoals bijkomende vakantiedagen of een bedrijfswagen, niet worden geïntegreerd in een cafetariaplan met een luik aanvullend pensioen.

    Volgens de FSMA viseert artikel 4-2 van het KB WAP alle regelingen waarbij aan de werknemer een zekere keuze wordt verleend inzake de verdeling van een budget over verschillende voordelen, van zodra één van die voordelen een aanvullend pensioen is. Toezeggingen waarbij vanuit een vooraf toegekend premiebudget, naast een aanvullend pensioen, ook voordelen worden gefinancierd die niet in artikel 4-2 van het KB WAP worden genoemd, zijn niet in overeenstemming met die bepaling.

    De FSMA is het niet eens met de argumentatie op grond waarvan de door het KB WAP ingevoerde beperkingen niet van toepassing zijn wanneer het betrokken cafetariaplan zich niet situeert op het niveau van de pensioentoezegging maar op een hoger niveau, met name dat van het geheel van de secundaire beloningscomponenten.

    De omstandigheid dat binnen een onderneming al een basispensioentoezegging bestaat voor alle werknemers, of dat steeds een minimale bijdrage in het aanvullend pensioenplan wordt gestort, vormt geen relevante overweging in het licht van artikel 4-2 van het KB WAP.