DB-plan – In dienst blijven na de in het reglement bepaalde pensioenleeftijd

    Een werknemer die na de in het pensioenreglement bepaalde pensioenleeftijd in dienst blijft, moet van de pensioentoezegging blijven genieten (met andere woorden: aangesloten blijven bij de pensioentoezegging) tot op het ogenblik van zijn effectieve pensionering. Dat recht heeft zowel betrekking op het luik pensioen, het luik overlijden, als het luik solidariteit. Dit principe vloeit voort uit artikel 13 van de WAP en wordt bevestigd door de voorbereidende werken bij die bepaling (Kamer, Doc 53 3500/001, Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen, p. 73-74).

    Dit betekent voor een pensioentoezegging van het type vaste prestaties dat, zolang de werknemer in dienst is, zijn diensttijd wordt erkend tot hij het maximum door het plan erkende diensttijd bereikt heeft (vb. 45/45). De verderzetting van de pensioentoezegging na de in het reglement bepaalde pensioenleeftijd mag dus niet beperkt worden in de tijd. Zelfs wanneer de volgens het plan maximum erkende diensttijd wordt bereikt moeten loonsverhogingen in ieder geval nog in rekening worden gebracht. Daarbij is het niet toegelaten een andere formule te gebruiken. In het bijzonder is het niet toegelaten om het type van pensioentoezegging te wijzigen, vb. van vaste prestaties naar vaste bijdragen.

    Dit geldt eveneens voor de overlijdensdekking. Dat betekent dat de overlijdensdekking van een aangeslotene die in dienst blijft na de in het reglement bepaalde pensioenleeftijd in elk geval verder moet worden berekend volgens de regels die van kracht waren vóór het bereiken van deze pensioenleeftijd. Het stopzetten of beperken van deze waarborg overlijden na het bereiken van de in het reglement bepaalde pensioenleeftijd is dus niet toegestaan.

    Een clausule in een pensioenreglement van het type vaste prestaties met een pensioenleeftijd vastgesteld op 60 jaar, op grond waarvan het pensioenkapitaal op de leeftijd van 60 jaar wordt aangewend als premie voor een verzekering van het type uitgesteld kapitaal met terugbetaling van de reserve (UKMTR) en op grond waarvan de pensioenprestatie en de prestatie in geval van overlijden vanaf 60 jaar niet langer worden berekend op basis van de voorheen geldende formule, is dan ook strijdig met artikel 13.

    Artikel 13 van de WAP handelt over de “pensioentoezegging” – d.w.z. over de toezegging van een aanvullend pensioen door een inrichter - en strekt zich dus niet uit tot de verzekeringsovereenkomst die wordt gesloten ter uitvoering van de pensioentoezegging. Het is dan ook mogelijk dat de verzekeringsonderneming in het kader van de verderzetting van de pensioentoezegging na de in het reglement bepaalde pensioenleeftijd andere tarieven hanteert (en daartoe mogelijk zelfs verplicht is op grond van de prudentiële wetgeving). Een eventuele tariefwijziging heeft echter geen enkele invloed op de pensioenverplichtingen die voor de inrichter uit zijn pensioentoezegging voortvloeien. In het kader van een pensioentoezegging van het type vaste prestaties verbindt de inrichter zich immers tot de toekenning van een bepaalde prestatie in rente of kapitaal bij pensionering. De inrichter kan zich niet onttrekken aan zijn verplichtingen en zal dus de nodige premies moeten bijstorten om het eventuele tekort ten gevolge van de tariefwijziging te dekken.