Professionelen

1. Algemene presentatie van het voorstel voor een verordening inzake Taxonomie.

Het voorstel voor een verordening inzake Taxonomie is ontstaan uit de noodzaak tot een uniforme definitie van ecologisch duurzame activiteiten op Europees niveau. In de huidige context is het voor beleggers vaak moeilijk om precies te weten welke activiteiten precies worden gefinancierd met het kapitaal dat zij investeren in een duurzaam financieel product. In de meeste gevallen worden middelen beschikbaar gesteld aan of blootgesteld aan bedrijven die een duurzaam milieubeleid voeren, maar hun selectie blijft afhankelijk van een methodologie die per manager verschilt. De Taxonomie is bedoeld om verder te gaan in de transparantie en om duidelijk te maken hoeveel van deze fondsen daadwerkelijk wordt geïnvesteerd in activiteiten, en niet langer in bedrijven, wat een positieve invloed heeft op de toestand van het milieu of  de energietransitie vergemakkelijkt. Het niveau van duurzaamheidsbeoordeling wordt dus verschoven van de onderneming of productportfolio naar de activiteit. Elke financiële markt deelnemer is dus verplicht om het exacte percentage van de fondsen van de belegger dat daadwerkelijk duurzame milieuactiviteiten in de zin van de Taxonomie financiert, te publiceren.

Omgekeerd wordt in de Taxonomie geen minimumdrempel opgelegd voor activiteiten conform de definitie opdat een belegging als duurzaam geldt , noch wordt hierin gedefinieerd wat een duurzaam financieel product of duurzame belegging vanuit ecologisch oogpunt is. Alleen het aandeel van de economische activiteiten die voldoen aan de criteria voor opneming in de Taxonomie, op het totaal van de door het product gefinancierde activiteiten dient te worden gepubliceerd[1].

Voor elke activiteit die in de Taxonomie als duurzaam voor het milieu wordt aangemerkt, worden verdere afbakeningscriteria vastgesteld die wordt geëist dat andere ecologische doelstellingen niet noemenswaardig nadelig worden beïnvloed.

Om de minimale becijferde vereisten vast te stellen, werd in de marge van de bespreking van de wetgevingsinitiatieven een groep van technische deskundigen opgericht en in mei 2019 een eerste verslag heeft gepubliceerd waarin de verplichtingen en drempels worden gedefinieerd die in acht moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat 67 activiteitenfamilies als duurzaam kunnen worden beschouwd.

Op dit moment is het juist de opname van bepaalde activiteiten in deze toekomstige lijst van duurzame activiteiten (in het bijzonder de elektriciteitsproductie uit kernenergie) die de discussie op Europees niveau lijkt aan te zwengelen en de goedkeuring van het voorstel lijkt te vertragen. Het Finse voorzitterschap van de Raad heeft echter zijn wil getoond om voor het einde van 2019 een akkoord te bereiken. 

2. Bestemmelingen en omschrijving van de milieudoelstellingen

2.1.Bestemmelingen

Twee categorieën van bestemmelingen zijn verplicht de Taxonomie te gebruiken:

  • de Lidstaten die eisen willen stellen aan financiëlemarktdeelnemers of producenten van financiële producten en obligaties moeten de definities van de Taxonomie gebruiken voor de ontwikkeling van hun maatregelen;
  • financiële markt deelnemers die financiële producten aanbieden die als ecologisch duurzaam worden voorgesteld, moeten het percentage duurzame activiteiten in de zin van de Taxonomie specificeren.

Zoals in de convergentiepunten van de teksten wordt aangegeven, worden financiëlemarktdeelnemers en financiële producten gedefinieerd onder verwijzing naar Disclosure.

2.2. Definitie van ecologisch duurzame activiteiten

Om de economische activiteiten te definiëren die als duurzaam voor het milieu worden beschouwd, gebruikt de Taxonomie de volgende selectiemethode:

  1. De activiteit moet substantieel bijdragen aan een milieudoelstelling (inclusieve benadering);
  2. De activiteit mag geen belangrijke invloed hebben op een andere milieudoelstelling (exclusieve benadering);
  3. De activiteit moet worden uitgevoerd met inachtneming van minimumgaranties (exclusieve benadering);
  4. De activiteit moet worden beoordeeld volgens de methodologie en de technische criteria die in de toekomstige technische normen zijn vastgelegd.

De Taxonomie voorziet in zes milieudoelstellingen, die zowel voor de inclusieve als voor de exclusieve benadering moeten worden gebruikt:

  • De bestrijding van de klimaatverandering;
  • De aanpassing aan de klimaatverandering;
  • Het duurzame gebruik en de bescherming van hydrologische en mariene hulpbronnen;
  • De overgang naar een circulaire economie die zowel afvalpreventie als recycling omvat;
  • De preventie en bestrijding van verontreiniging;
  • De bescherming van gezonde ecosystemen. 

Zo kan een activiteit betreffende het opwekken van hydro-elektrische energie, ondanks haar bijdrage aan de energietransitie en dus aan de bestrijding van de klimaatverandering, door de Taxonomie niet als duurzaam worden beschouwd, omdat deze mogelijk gezonde ecosystemen zal aantasten.

Naast het feit dat geen enkele andere doelstelling in het gedrang mag komen, moet de activiteit nog steeds worden uitgevoerd in overeenstemming met de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de richtsnoeren van de Verenigde Naties voor het bedrijfsleven en mensenrechten, de door de IAO vastgestelde minimumgaranties inzake het arbeidsrecht[2] en het Internationaal Statuut van de Mensenrechten.

De activiteit mag ten slotte bepaalde drempels niet overschrijden en moet voldoen aan de specifieke technische en methodologische eisen die daarvoor gelden.

Voor zover een economische activiteit aan al deze verplichtingen voldoet, wordt zij als ecologisch duurzaam beschouwd en wordt zij in aanmerking genomen voor het te publiceren percentage. 

 

3. Besprekingen van de  technische aspecten

Om te bepalen of activiteiten bijdragen tot een of meer milieudoelstellingen zonder dat andere doelstellingen substantieel worden aangetast, moeten de technische normen van niveau 2 de te volgen methodologie specificeren en drempelwaarden voor de beoordeling van elke activiteit vaststellen. Deze normen worden momenteel nog geschreven en besproken. Toch geeft het verslag van de groep van technische deskundigen een getrouw overzicht van wat de te vervullen criteria zouden kunnen zijn voor 67 activiteiten.

Om de algemene werking van de technische criteria te illustreren, wordt de economische activiteit van de autoproductie hieronder geanalyseerd in het licht van de specifieke criteria voor deze sector. De productie van individuele vervoermiddelen wordt volgens het verslag van de groep van technische deskundigen alleen onder de volgende voorwaarden als een duurzame activiteit beschouwd:

  • De activiteit voldoet aan een algemene doelstelling - Bijdrage aan de bestrijding van de klimaatverandering: de productie van auto's die minder of geen CO2 uitstoten is een middel om de klimaatverandering te beperken;
  • De activiteit berokent  geen wezenlijke schade aan  een andere doelstelling: in dit geval kunnen de productie en de auto's leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen (in strijd met de doelstelling om vervuiling te voorkomen en te beheersen) en de productie van afval (in strijd met de doelstelling van de overgang naar een circulaire economie);
  • De activiteit respecteert de minimumgaranties inzake mensenrechten: werknemers die in de autoassemblage werken, moeten hun rechten kunnen uitoefenen;
  • De beoordeling ervan voldoet aan de technische criteria en de vastgestelde methodologie: in dit geval mag het geproduceerde vervoermiddel niet meer dan 50 g CO2 uitstoten (tot 2025) of stoot het geen CO2 uit (toestand vanaf 2026); het vervoermiddel mag niet meer dan bepaalde drempelwaarden directe verontreinigende stoffen uitstoten (0,8x de EURO 6-drempelwaarden) en het lawaai en het afval dat door de productie, de verwijdering en het onderhoud ervan wordt gegenereerd, moet worden behandeld in overeenstemming met de geldende Europese en nationale wetgeving.

Het doel van de Europese wetgever was dan ook weinig ruimte voor interpretatie te laten en voor elke activiteit strikte en gemakkelijk meetbare drempels vast te stellen.

4. Voordeel voor de belegger

Zoals voorgesteld in het actieplan is een van de doelstellingen van de Commissie om de kapitaalstromen te heroriënteren naar activiteiten die bijdragen tot de verwezenlijking van de milieudoelstellingen, maar ook om de belegger meer transparantie te bieden. In combinatie met de infomatieverplichtingen vastgesteld door Disclosure, kan de belegger dankzij het referentiekader voor ecologisch duurzame activiteiten en het daaruit voortvloeiende percentage activiteiten die aan de eisen voldoen, precies weten welke activiteiten met zijn belegging worden gefinancierd en wat de daadwerkelijke impact van zijn belegging is op zijn voorkeursmilieudoelstellingen.

Onderstaande illustratie toont de berekeningsmethode zodra het percentage duurzame activiteiten per onderneming is vastgesteld. De belegger heeft dus de mogelijkheid om, bijvoorbeeld voor een fonds zoals in de illustratie , dankzij het unieke percentage te weten te komen welke ecologisch duurzame activiteiten hij financiert.

Vanuit het oogpunt van de financiëlemarktdeelnemers, kan via de Taxonomie een uniforme Europese definitie van ecologische duurzaamheid voor economische activiteiten worden vastgesteld, waardoor producten gemakkelijker vergeleken kunnen worden en een gezondere concurrentie mogelijk wordt.

Momenteel wordt een identieke Taxonomie overwogen voor de definitie van activiteiten die zouden bijdragen tot sociale doelstellingen. 

 


[1] De laatste versie van het voorstel voor een verordening inzake Taxonomie bepaalt dat de “Financiëlemarktdeelnemers specificeren hoe en in welke mate de beleggingen voldoen aan de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten als bedoeld in de artikelen 3 en 5. Met deze informatie moeten beleggers het aandeel van de beleggingen die ecologisch duurzame economische activiteiten financieren, kunnen identificeren als percentage van alle beleggingen die voor het financiële product zijn geselecteerd.”

[2] Voorstel voor een verordening Taxonomie, artikel 13. Het artikel verwijst naar de acht fundamentele arbeidswetgevingsverdragen die door de IAO zijn vastgesteld, waaronder het recht om niet te worden onderworpen aan dwangarbeid, de vrijheid van vereniging, het recht van werknemers om zich te organiseren, het recht op collectieve onderhandelingen, gelijke beloning voor mannen en vrouwen voor werk van gelijke waarde, non-discriminatie op het gebied van kansen en behandeling, werkgelegenheid en beroep, en het recht van kinderen om niet te worden gedwongen tot kinderarbeid.