Externalisatie en onderfinanciering van groepsverzekeringen

    Er mag geen discrepantie bestaan tussen de pensioenverplichtingen van de inrichter en de bij de pensioeninstelling gevormde technische voorzieningen. In de praktijk kan zo’n discrepantie vooral in de volgende situaties opduiken:

    • wanneer de inrichter maar een beroep doet op een pensioeninstelling voor een gedeelte van zijn pensioenverplichtingen;
    • bij een reductie van de groepsverzekering; door die reductie vermindert de pensioeninstelling haar eigen verplichtingen, waardoor de verplichtingen van de inrichter niet langer overeenstemmen met de bij de pensioeninstelling gevormde voorzieningen;
    • indien, bij een verandering van pensioeninstelling, de overgedragen reserves onvoldoende blijken om tot de sluiting van een groepsverzekering over te gaan.

      Ter zake moet worden opgemerkt dat, wanneer bij de overdracht van reserves aan een verzekeringsonderneming wordt vastgesteld dat de overgedragen reserves ontoereikend zijn om de pensioenverplichtingen in het kader van een verzekeringsovereenkomst te beheren, en dat daardoor niet tot de sluiting van een verzekeringsovereenkomst kan worden overgegaan, deze situatie niet als een onderfinanciering in de zin van artikel 50 van het KB Leven kan worden gekwalificeerd. De bepalingen van het KB leven worden immers maar van toepassing zodra een verzekeringsovereenkomst wordt gesloten. Bovendien gelden de financieringsregels van het KB Leven enkel voor het deel van de pensioenverplichtingen waarvan het beheer aan de verzekeringsonderneming wordt overgedragen.

    De naleving van de in artikel 5, § 3, van de WAP bedoelde externalisatieverplichting moet worden beoordeeld in het licht van de bij een pensioeninstelling gevormde technische provisies.

    De inrichter moet bij de pensioeninstelling dus technische voorzieningen vormen ten belope van zijn pensioenverplichtingen.

    Bij een inbreuk op de WAP kan, op grond van artikel 49quater van de WAP, aan de inrichters een termijn worden opgelegd om deze situatie te verhelpen.

    Als een onmiddellijk herstel het voortbestaan van de inrichtende ondernemingen in gevaar zou kunnen brengen, kan een gefaseerd herstel worden aanvaard, waarbij opeenvolgende termijnen worden vastgesteld. Met zo’n gefaseerd herstel kan enkel in uitzonderlijke situaties en uitsluitend op grond van een uitdrukkelijk akkoord van de FSMA worden ingestemd.

    Een gefaseerd herstel mag op geen enkele manier afbreuk doen aan de verworven reserves en prestaties van de aangeslotenen. Dit houdt in dat de inrichter, in het geval van uitbetalingen tijdens de herstelperiode, eventuele tekorten onmiddellijk en volledig ten laste dient te nemen.