Consumenten

De werkgever mag in het aanvullend pensioenplan geen onderscheid maken tussen voltijdse en deeltijdse werknemers. Bij het pensioenplan moeten dus zowel de voltijdse als de deeltijdse werknemers worden aangesloten.

De deeltijdse werknemers hebben dezelfde pensioenrechten als de voltijdse werknemers, maar deze rechten worden proportioneel berekend, rekening houdend met hun verminderde arbeidsduur.

Hoe dit concreet gebeurt, wordt toegelicht in onderstaande voorbeelden:

1. Pensioenplan van het type vaste bijdragen.

De bijdrage wordt berekend volgens de volgende formule: 2 % S1 + 5 % S2, waarbij S1 staat voor het jaarloon tot 30.000 euro en S2 voor het deel van het jaarloon boven 30.000 euro.

Jan werkt halftijds (50 %) wat hem een jaarloon van 20.000 euro oplevert.

Om Jans pensioenbijdrage te berekenen, moet eerst worden berekend op welke bijdrage hij recht zou hebben, als hij voltijds zou werken. Het loon voor een voltijdse werknemer bedraagt 40.000 euro (2 x 20.000 euro).

Ingevuld in de formule geeft dit een bijdrage van: 2 % * 30.000 + 5 % * 10.000 = 600 + 500 = 1.100 euro.

Vervolgens wordt de pensioenbijdrage voor een voltijdse werknemer verhoudingsgewijs verminderd, rekening houdend met het tewerkstellingspercentage. Aangezien Jan halftijds werkt, heeft hij recht op een bijdrage van 50 % * 1.100 euro = 550 euro.

2. Pensioenplan van het type vaste prestaties.

Het pensioen wordt berekend op basis van volgende formule: N/40 * 2 * S, waarbij S staat voor het (laatste) salaris en N staat voor het aantal dienstjaren.

Bij zijn pensioen heeft Peter er een loopbaan van 40 jaar opzitten bij zijn werkgever. Zijn salaris bedraagt op dat moment 40.000 euro. Tussen zijn 30ste en 40ste heeft Peter 10 jaar halftijds gewerkt, om meer tijd te hebben voor de zorg voor zijn kinderen.

Bij de vaststelling van het aanvullend pensioen wordt rekening gehouden met de deeltijdse tewerkstelling bij de berekening van het aantal loopbaanjaren. De halftijdse loopbaanjaren worden maar voor de helft geteld. Dat resulteert in een totaal van 30 volledige loopbaanjaren en 10 halftijdse, wat overeenstemt met een totaal van 35 loopbaanjaren.

Peters (bruto-)pensioenkapitaal bedraagt dus: 35/40 * 2 * S = 70.000 euro.

Het aanvullend pensioen is een pensioen dat door een werkgever (of een bedrijfssector) wordt opgebouwd voor zijn werknemers. Het aanvullend pensioen wordt uitbetaald bovenop het wettelijk pensioen en kan de vorm aannemen van een eenmalig kapitaal of een periodieke (maandelijkse, jaarlijkse,...) rente.

De aanvullende pensioenen worden ook wel de 'tweede pensioenpijler' genoemd.

Werknemers: Meer info

Het aanvullend pensioen kan gefinancierd worden door:

  • werkgeversbijdragen (of patronale bijdragen): dit zijn bijdragen die de werkgever stort aan de pensioeninstelling;

en/of

  • werknemersbijdragen (of persoonlijke bijdragen): dit zijn bijdragen die de werkgever van het loon van de werknemer afhoudt en doorstort aan de pensioeninstelling.

Werknemers: Meer info

In deze Q&A wordt de term pensioenplan als een algemene term gebruikt voor alle soorten van pensioentoezeggingen.

Als een werkgever het initiatief neemt om een aanvullend pensioen te organiseren voor alle of een deel van de werknemers in zijn onderneming, spreekt men van een ondernemingsplan. Wanneer het initiatief uitgaat van een paritair comité van een bepaalde bedrijfssector, is dit een sectorplan.

Werknemers: Meer info

Bij een pensioenplan van het type vaste prestaties wordt de betaling van een welbepaald pensioen beloofd: de inrichter (werkgever of sectorale inrichter) belooft aan zijn werknemers een eenmalig kapitaal of een bepaalde rente bij hun pensionering.

Het pensioenreglement beschrijft hoe groot dit kapitaal of de rente zal zijn: dit wordt meestal berekend op basis van een formule die rekening houdt met het aantal jaren dat de werknemer heeft gewerkt en zijn loon.

Werknemers: Meer info