Gebruik van het financieringsfonds bij pensioentoezeggingen van het type vaste bijdragen

    Een aantal werkingsprincipes werden ontwikkeld door de FSMA, die in detail aanduiden binnen welke perken een financieringsfonds kan worden aangewend in het kader van een pensioentoezegging van het type vaste bijdrage:

    1. De verbintenis van de inrichter in het kader van een toezegging van het type vaste bijdragen heeft betrekking op de bijdragen die periodiek op de individuele rekening van de aangeslotenen worden gestort.

       

    2. Het is niet van belang of de vaste bijdragen rechtstreeks vanuit het vermogen van de inrichter dan wel onrechtstreeks, vanuit een collectief fonds zoals het financieringsfonds, op de individuele rekening worden gestort, tenminste voor zover deze bijdragen voldoen aan werkingsprincipes 3 en 4.

       

      De premie die de inrichter stort aan de pensioeninstelling kan dan ook verschillen van de bijdrage die op grond van het pensioenreglement wordt gestort op de individuele rekeningen.

    3. Onder geen beding mag het rendement dat wordt gegenereerd op de individuele rekeningen nadien worden gebruikt voor de financiering van de vaste bijdragen. In de mate dat het financieringsfonds wordt gebruikt als actieve financieringsbron voor de individuele rekeningen, mag het rendement op de rekeningen bijgevolg niet terugvloeien naar datzelfde financieringsfonds. Onder rendement dient te worden begrepen:

       

      • Bij een verzekeringsovereenkomst tak 21: het tarifaire rendement verhoogd met de eventuele winstdeelname;
      • Bij een verzekeringsovereenkomst tak 23: evolutie van de waarde van het betreffende fonds.
    4. Gelden die geen deel uitmaken van het rendement mogen wel in het financieringsfonds worden gestort en kunnen bijgevolg worden gebruikt voor toekomstige stortingen op de individuele rekeningen (bijvoorbeeld: overlijdenskapitalen zonder begunstigde, reserves die ten gevolge een uittreding binnen het eerste jaar na de aansluiting niet verworven zijn door de aangeslotene).

    5. Regelingen met betrekking tot de winstdeelnamepolitiek van de pensioeninstelling, die ertoe strekken om het rendement voor de individuele rekeningen te beperken ten gunste van het financieringsfonds, zijn niet verenigbaar met principe 3.

       

    6. Principe 3 verhindert niet dat het pensioenreglement overeenkomstig artikel 4-7 van het KBWAP zou bepalen dat een deel van het rendement niet aan de individuele rekeningen wordt toegekend, maar in een “vrije reserve” wordt gestort. De vrije reserve, die eveneens de vorm zal aannemen van een financieringsfonds, dient in dat geval echter te worden gescheiden van de overige vrije reserves en mag in geen geval worden gebruikt om toekomstige stortingen op de individuele rekeningen uit te putten.

       

      De vrije reserve kan worden aangewend voor andere doeleinden, zoals bijvoorbeeld het toekennen van bijkomende rendementen aan de individuele rekeningen of de aanzuivering van tekorten ten opzichte van de rendementswaarborgen (art. 24 van de WAP) bij uittreding of pensionering. De aanwending van de vrije reserve dient nauwkeurig in het pensioenreglement te worden omschreven.