Gunstige anticipatieregeling – behoud van de reserves zonder wijziging van de pensioentoezegging

    Opmerking: Onderhavig standpunt bevat de interpretatie van de FSMA wat betreft de wetgeving zoals deze in voege was tot en met 31 december 2015.

    De Wet van 18 december 2015 tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen heeft de WAP gewijzigd, zodat de WAP thans een specifieke afwijking bevat op de hierna vermelde principes voor gunstige anticipatieregels (artikelen 27, §4 en 63/5 van de WAP). De nieuwe bepalingen zijn van kracht sinds 1 januari 2016.

    Onderhavig standpunt werd intussen dan ook aangepast om de interpretatie weer te geven die men dient te volgen sinds de Wet van 18 december 2015 in voege is getreden. Het standpunt dat rekening houdt met de wetgeving van toepassing sinds 1 januari 2016 is te raadplegen op deze website.

    Het recht op bepaalde pensioenprestaties - in dit geval het recht op een voordelige vervroegde opname van de pensioenprestaties – moet voor alle aangeslotenen van een DB-plan worden voorzien. De bepaling van een pensioentoezegging waarbij dat recht wordt ontzegd aan uitgetreden aangeslotenen, druist in tegen artikel 32, § 1, 3°, a) van de WAP. Volgens de voorbereidende werken van de WAP houdt dat artikel met name in dat “in het geval van een pensioentoezegging van het type vaste prestaties, de aangeslotene op het moment van zijn pensionering recht heeft op de prestatie zoals die gedefinieerd is overeenkomstig de pensioenformule in het reglement of de overeenkomst“ (Kamer, Doc 50 1340/01, wetsontwerp betreffende de aanvullende pensioenen, p. 60). Aangezien deze bepaling als doel heeft om de rechten van de aangeslotenen bij uittreding te beschermen, moet zij zo worden gelezen dat het feit zelf van de uittreding geen aanleiding mag geven tot een wijziging van de pensioentoezegging.

    Het Directiecomité kan de argumentatie op grond waarvan artikel 32, § 1, 3°, a) van de WAP restrictief moet worden gelezen, niet onderschrijven. In dat geval zou die bepaling immers uitsluitend tot doel hebben te verklaren dat de wijzigingen die na de uittreding van de uitgetreden aangeslotenen worden doorgevoerd, niet op hen van toepassing zijn. Bij die lezing van de wet zouden de prestaties waarop een aangeslotene aanspraak kan maken op de (normale of vervroegde) pensioenleeftijd, bij overeenkomst (in het kader van het pensioenreglement) kunnen worden beperkt. Dat druist in tegen de doelstelling van die bepaling die er precies toe strekt elke vermindering van de pensioenrechten van de aangeslotenen bij uittreding te voorkomen.