Gunstige anticipatieregeling – behoud van de reserves zonder wijziging van de pensioentoezegging

    Opmerking: Onderhavig standpunt houdt rekening met de situatie zoals die geldt na de inwerkingtreding van de Wet van 18 december 2015.

    Het recht op pensioenprestaties in het kader van een DB-plan moet voor alle aangeslotenen van dat plan worden voorzien. De bepaling van een pensioentoezegging die dat recht ontzegt aan uitgetreden aangeslotenen, druist in tegen artikel 32, § 1, 3°, a) van de WAP. Volgens de voorbereidende werken van de WAP houdt dat artikel namelijk in dat “in het geval van een pensioentoezegging van het type vaste prestaties, de aangeslotene op het moment van zijn pensionering recht heeft op de prestatie zoals die gedefinieerd is overeenkomstig de pensioenformule in het reglement of de overeenkomst“ (Kamer, Doc 50 1340/01, wetsontwerp betreffende de aanvullende pensioenen, p. 60). Aangezien deze bepaling als doel heeft om de rechten van de aangeslotenen bij uittreding te beschermen, moet men haar zo lezen dat het feit zelf van de uittreding geen aanleiding mag geven tot een wijziging van de pensioentoezegging.

    Volgens de FSMA mag men artikel 32, § 1, 3°, a) van de WAP niet restrictief lezen. Bij een restrictieve lezing zou deze bepaling immers uitsluitend tot doel hebben te verklaren dat de wijzigingen die na een uittreding worden doorgevoerd, niet op de slapers van toepassing zijn. In dat geval zou men de prestaties waarop een aangeslotene aanspraak kan maken op de (normale of vervroegde) pensioenleeftijd, bij overeenkomst (in het kader van het pensioenreglement) kunnen beperken, terwijl de doelstelling van die bepaling er net in bestaat te beschermen en te vermijden dat de pensioenrechten van aangeslotenen die hun werkgever verlaten vóór pensionering zouden worden beknot.

    De Wet van 18 december 2015 tot waarborging van de duurzaamheid en het sociale karakter van de aanvullende pensioenen en tot versterking van het aanvullende karakter ten opzichte van de rustpensioenen heeft de WAP gewijzigd, zodat de WAP thans een specifieke afwijking bevat op de hierboven vermelde principes en regels voor wat betreft de gunstige anticipatieregels (nieuwe artikelen 27, §4 en 63/5 van de WAP). De nieuwe bepalingen zijn van kracht sinds 1 januari 2016.

    Het nieuwe artikel 27, §4 verklaart gunstige anticipatieclausules absoluut nietig. Toch kan zo’n clausule op grond van het nieuwe artikel 63/5 van de WAP nog worden toegepast voor aangeslotenen die uiterlijk op 31 december 2016, 55 jaar zijn. In deze hypothese maakt het voordeel dat voortvloeit uit de gunstige anticipatieclausule evenwel geen deel uit van de verworven prestaties van de aangeslotene, zoals gedefinieerd in artikel 3, §1, 12° van de WAP, behoudens een andersluidende clausule in het pensioenreglement of in de pensioenovereenkomst,. Het reglement mag eveneens bepalen welke aangeslotenen al dan niet van de gunstige anticipatieclausules kunnen genieten.

    Hieruit volgt met andere woorden dat het recht op een gunstige anticipatie sinds 1 januari 2016 niet langer deel uitmaakt van de pensioenrechten beschermd door artikel 32, §1, 3°, a) van de WAP in het geval een aangeslotene beslist om zijn rechten bij de pensioeninstelling van de inrichter die hij verlaat te laten, zonder wijziging van de pensioentoezegging. Behalve in geval van een andersluidende clausule in het pensioenreglement of in de pensioenovereenkomst kan een slaper zich dus niet langer beroepen op een gunstige anticipatieclausule.