Omzetting kapitaal naar rente : welk rentetype ?

    De begunstigde (aangeslotene of rechthebbende) van een prestatie in de vorm van een kapitaal heeft het recht om dit kapitaal om te zetten naar een rente op grond van artikel 28, § 1 van de WAP juncto artikel 19, § 1 van het KB WAP.

    Gelet op de bedoeling van de wetgever om het aanvullend pensioen nauwer te laten aansluiten bij het wettelijk pensioen en via de bevordering van rente-uitkeringen het langlevenrisico passend te doen beheren, is de FSMA van mening dat artikel 28, § 1 van de WAP de omzetting van het kapitaal in een levenslange rente beoogt.

    De wet stelt niets over het rentetype waarin het kapitaal moet worden omgezet (al dan niet geïndexeerd en/of overdraagbaar). Het staat de inrichter dan ook vrij één of meerdere levenslange rentetypes te voorzien in het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst. Wel moeten de gebruikte actualisatieregels bij elke berekeningswijze beantwoorden aan de wettelijke minima. Voor elk aangeboden rentetype geldt m.a.w. een eigen minimale levenslange rente die wordt bepaald door:

    • te actualiseren aan de hand van de technische grondslagen uit artikel 19, § 1 van het KB WAP én
    • rekening te houden met het rentetype (al dan niet geïndexeerd en/of overdraagbaar).

    Indien het pensioenreglement of de pensioenovereenkomst niets vermeldt, kan de inrichter niet tot een hogere rente worden verplicht dan tot de levenslange rente die men kan berekenen aan de hand van de minimaal te respecteren actualisatieregels uit de wet. In dat geval heeft de aangeslotene dus enkel recht op een omzetting van zijn kapitaal naar een niet-geïndexeerde, niet-overdraagbare levenslange rente berekend volgens de minimale actualisatieregels opgenomen in artikel 19, § 1 van het KB WAP.

    Indien het vestigingskapitaal onvoldoende is om de volgens de hierboven uiteengezette regels bepaalde levenslange rente te financieren, dient de inrichter het benodigde verschil bij te passen.