search_api_autocomplete

Omzetting kapitaal naar rente: welk rentetype?

De begunstigde (zelfstandige of rechthebbende) van een prestatie in de vorm van een kapitaal heeft het recht om dit kapitaal om te zetten naar een rente op grond van artikel 50, § 1 van de WAPZ juncto artikel 3, §1 van het KB WAPZ.

Gelet op de bedoeling van de wetgever om het aanvullend pensioen nauwer te laten aansluiten bij het wettelijk pensioen en via de bevordering van rente-uitkeringen het langlevenrisico passend te doen beheren, is de FSMA van mening dat artikel 50, § 1 van de WAPZ de omzetting van het kapitaal in een levenslange rente beoogt.

De wet stelt niets over het rentetype waarin het kapitaal moet omgezet worden (al dan niet geïndexeerd en/of overdraagbaar). Het staat de pensioeninstelling en de zelfstandige dan ook vrij één of meerdere levenslange rentetypes te voorzien in de pensioenovereenkomst. Wel moeten de gebruikte actualisatieregels bij elke berekeningswijze beantwoorden aan de wettelijke minima. Voor elk aangeboden rentetype geldt m.a.w. een eigen minimale levenslange rente die wordt bepaald door:

  • te actualiseren aan de hand van de technische grondslagen uit artikel 3, § 1 van het KB WAPZ én
  • rekening te houden met het rentetype (al dan niet geïndexeerd en/of overdraagbaar).

Indien de pensioenovereenkomst niets vermeldt, kan de pensioeninstelling niet tot een hogere rente worden verplicht dan tot de levenslange rente die men kan berekenen aan de hand van de minimaal te respecteren actualisatieregels uit de wet. In dat geval heeft de zelfstandige dus enkel recht op een omzetting van zijn kapitaal naar een niet-geïndexeerde, niet-overdraagbare levenslange rente berekend volgens de minimale actualisatieregels opgenomen in artikel 3, § 1 van het KB WAPZ.

Indien het vestigingskapitaal onvoldoende is om de volgens de hierboven uiteengezette regels bepaalde levenslange rente te financieren, dient de pensioeninstelling het benodigde verschil bij te passen.