Professionelen

Afwijking van de toepassing van het eigenvermogensvereiste voor de dekking van vaste activa

FSMA_Standpunt_2018_07
05/06/2018

De FSMA heeft een verzoek tot afwijking onderzocht van de toepassing van het eigenvermogensvereiste voor de dekking van vaste activa. Dat verzoek was ingediend door een vennootschap voor vermogensbeheer en beleggingsadvies (hierna 'VVB') krachtens artikel 54, § 6 juncto artikel 59, § 2, derde lid, van de wet van 25 oktober 2016[1]. Op grond van dat artikel kan de FSMA, in bijzondere gevallen, binnen de perken van de Europese wetgeving, afwijkingen toestaan van de bepalingen van de met toepassing van dit artikel genomen reglementen.

Krachtens één van de eigenvermogensvereisten uit het eigenvermogensreglement van de CFBA[2], moet het eigen vermogen van VVB’s steeds groter zijn dan of gelijk zijn aan het totaal van de vaste activa. De VVB was voornemens om haar volledig vastgoedvermogen, via een gedeeltelijke splitsing, aan een nieuw op te richten vennootschap (hierna 'Newco') over te dragen.

De FSMA heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden was voldaan om de VVB en Newco als consortium te kwalificeren, gelet op het weerlegbaar vermoeden op grond waarvan ondernemingen worden vermoed onder centrale leiding te staan wanneer hun aandelen in meerderheid door dezelfde natuurlijke of rechtspersonen worden gehouden[3]. Dat bleek het geval in dit dossier en de VVB heeft geen enkel tegenbewijs geleverd op basis waarvan dat vermoeden kon worden weerlegd. Dat consortium zou aan toezicht op geconsolideerde basis moeten worden onderworpen[4], waardoor de eigenvermogensvereisten zowel op consortiumniveau als op vennootschapsniveau voor de VVB zouden gelden.

Omwille van de hieronder vermelde elementen heeft de FSMA beslist om de gevraagde afwijking toe te staan.

De dekking van de vaste activa is een Belgisch eigenvermogensvereiste dat voor de beleggingsondernemingen[5] en de kredietinstellingen behouden is gebleven in de opeenvolgende teksten tot omzetting van de Europese teksten over prudentiële vereisten. De toekenning van een dergelijke afwijking valt bijgevolg wel degelijk, zoals de wet voorschrijft, binnen de grenzen van de Europese wetgeving, omdat die geen vereisten over de dekking van vaste activa bevat.

Sinds 1 januari 2014 is dit vereiste van Belgisch recht inzake de dekking van vaste activa alleen nog van toepassing op VVB’s, omdat beursvennootschappen en kredietinstellingen sinds die datum door de CRR-verordening[6] worden beheerst. Voornoemd eigenvermogensreglement van de CBFA blijft echter gelden voor VVB’s. Op dat vlak zijn de VVB’s, waarvan het statuut beperkter is en de activiteiten minder systeemrisico’s inhouden, op dit moment dus aan een strikter vereiste onderworpen dan de beursvennootschappen en de kredietinstellingen.

In het geval van verzoekster werd de verhoging van het eigenvermogensniveau als gevolg van het vereiste inzake de dekking van vaste activa geacht niet evenredig te zijn met het niveau van de door verzoekster gelopen risico’s en met haar activiteitsvolume. Uit de door verzoekster overgelegde cijfers bleek dat het voor het consortium vereiste eigen vermogen aanzienlijk zou stijgen ingevolge de vooropgestelde ontwikkeling van de vastgoedactiviteit door Newco, terwijl de gereglementeerde activiteit van de VVB relatief stabiel zou blijven. De daling van het vereiste eigenvermogensniveau als gevolg van de toegekende afwijking werd geacht geen afbreuk te doen aan de bescherming van de cliënten van verzoekster, voor zover deze aan de voor haar geldende solvabiliteitsnormen voldeed en zij, na de gedeeltelijke splitsing en gelet op de toekenning van de afwijking, een ruim toereikend eigenvermogensniveau zou behouden.

 


[1] Wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

[2] CBFA-reglement van 17 oktober 2006 op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen, artikel III.1, § 1.

[3] Zie de definitie van 'consortium' in Hoofdstuk II, Afdeling I, rubriek VII, § 6, eerste lid, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, waarnaar wordt verwezen in artikel 59, § 1, 1°, van de wet van 25 oktober 2016.

[4] Artikel 59, § 3, van de wet van 25 oktober 2016.

[5] Deze benaming omvat de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies en de beursvennootschappen.

[6] Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (verkort 'CRR' of 'Capital Requirements Regulation').