Uittreding – tarifering van de verzekeraar

    Als een aangeslotene bij een pensioentoezegging die beheerd wordt door een verzekeraar ervoor opteert om zijn verworven reserves bij de pensioeninstelling te laten zonder wijziging van de pensioentoezegging, maar zijn uittreding tot gevolg heeft dat de overlijdensdekking wegvalt, rijst de vraag of de verzekeraar een verschillend tarief mag hanteren.

    Artikel 30, § 1, derde lid van het KB Leven stelt immers dat wanneer de reductie van de overeenkomsten gepaard gaat met het wegvallen van de waarborgen in geval van overlijden, de verzekeringsovereenkomst kan bepalen dat de inventariswaarde berekend wordt met de sterftetafels voor de verrichtingen bij leven.

    De FSMA is van oordeel dat artikel 32, § 1, 3°, a) van de WAP op grond waarvan een uittreder kan kiezen voor het behoud van de reserves bij de pensioeninstelling zonder wijziging van de pensioentoezegging, uitsluitend de pensioentoezegging in hoofde van de inrichter beoogt.

    Als de verzekeringsovereenkomst hierin voorziet, verbiedt artikel 32 van de WAP dus niet dat de verzekeraar het tarief wijzigt met toepassing van artikel 30, § 1, derde lid van het KB Leven.

    In het kader van een pensioenplan van het type vaste prestaties, kan een dergelijke tariefwijziging ertoe leiden dat de verzekerde prestaties niet langer ten minste gelijk zijn aan de verworven prestaties waarop de aangeslotene aanpsraak kan maken op grond van de pensioentoezegging. Bijgevolg zal de inrichter, conform zijn verbintenis ten aanzien van de aangeslotenen, zo nodig de vereiste bijkomende premies ten laste moeten nemen opdat de aangeslotenen hun reserves bij de pensioeninstelling zouden kunnen handhaven zonder wijziging van de pensioentoezegging van de inrichter, ondanks de tariefwijziging van de verzekeraar.

    In het kader van een pensioenplan van het type vaste bijdragen zonder gewaarborgd rendement (in hoofde van de inrichter), zal de tariefwijziging van de verzekeraar een weerslag hebben op de prestatie waarop de aangeslotene aanspraak kan maken bij pensionering. De FSMA is dan ook van oordeel dat de prestatie die in zo’n geval wordt vermeld op de jaarlijkse pensioenfiches van de aangeslotenen, van bij de aansluiting bij het pensioenplan rekening moet houden met het tarief dat zal worden toegepast bij uittreding van de aangeslotene.