Wettelijke minimumrendementswaarborg bij uittreding, pensionering of bij opheffing binnen vijf jaar na de aansluiting – quid bij wijziging van de pensioentoezegging?

    Artikel 24, § 2, tweede lid van de WAP stelt dat bij uittreding, pensionering of bij opheffing van het pensioenstelsel binnen vijf jaar na de aansluiting, de kapitalisatie tegen de rentevoet van de rendementswaarborg vervangen wordt door een indexering zoals geregeld in die bepaling.

    Als een pensioenplan wordt gewijzigd, bijvoorbeeld wanneer een plan van het type vaste prestaties wordt gewijzigd in een plan van het type vaste bijdragen, is er geen sprake van een nieuwe aansluiting. Een wijziging van de pensioentoezegging impliceert geen nieuwe aansluiting. Dit betekent dat er rekening moet worden gehouden met de aansluitingsperiode vóór en na de wijziging van de pensioentoezegging om te bepalen of de aangeslotene de periode van vijf jaar heeft bereikt.

    De enige verantwoording voor de uitzondering bedoeld in artikel 24, § 2, tweede lid van de WAP is immers dat de kans bestaat tijdens de eerste jaren dat het beleggingsresultaat omwille van de korte beleggingsduur sterk afwijkt van het door van de rendementswaarborg vooropgestelde langetermijngemiddelde.