Professionelen

Een IBP beheert activiteiten die onder de eerste en de tweede pensioenpijler vallen

FSMA_Standpunt_2016_03
31/05/2016

Ingeval een IBP activiteiten beheert die zowel onder de eerste als onder de tweede pensioenpijler vallen, stelt artikel 135 van de WIBP dat de activa en de verbintenissen die tot de eerste pijler behoren worden afgescheiden en gescheiden beheerd en georganiseerd, zonder enige mogelijkheid tot overdracht.

Rekening houdend met de ratio legis van artikel 135 van de WIBP, zoals toegelicht in de parlementaire voorbereiding van de WIBP[1], is de FSMA van oordeel dat aan het vereiste inzake afscheiding en gescheiden beheer en organisatie voldaan kan worden door een systeem dat vergelijkbaar is met dat van de afzonderlijke vermogens als bedoeld in artikel 80 van de WIBP. Volgens de interpretatie van de FSMA houdt het vereiste van artikel 135 van de WIBP concreet gezien de volgende verplichtingen in:

  • inrichten van gescheiden kantons die voldoen aan de geldende regels voor afzonderlijke vermogens: namelijk, (1) het voeren van een afzonderlijke boekhouding, (2) het toewijzen van dekkingswaarden per kanton, (3) het bijhouden van een permanente inventaris per kanton en (4) de vermelding, in de statuten, van de regels voor het omslaan van de kosten tussen de kantons en dit in het bijzonder voor de gemeenschappelijke kosten;
  • naleven van de regels waarmee kan worden voldaan aan het vereiste van gescheiden beheer: namelijk, (1) duidelijke regels voor een scheiding van de activa tussen de kantons en (2) het aanleggen van een solvabiliteitsmarge per kanton;
  • zorgen voor een volledig ondoordringbare scheiding tussen de kantons teneinde te voldoen aan het verbod op overdracht tussen het kanton van de eerste pijler en het kanton van de tweede pijler, als voorgeschreven door artikel 135 van de WIBP: concreet betekent dit dat er, naast het aanleggen van een solvabiliteitsmarge per kanton, zowel in de statuten als in de beheerovereenkomst of in enig ander relevant document, een verbod moeten worden ingesteld op een gelijktijdige vereffening van de kantons teneinde de toepassing van artikel 42, § 1, 4° van de WIBP te vermijden die zou kunnen leiden tot een overdracht tussen deze kantons.

De personen die een sleutelfunctie uitoefenen (de aangewezen actuaris, de interne auditor of de complianceofficer) alsook de erkend commissaris, moeten bij het uitvoeren van hun opdracht en in hun verslagen een onderscheid maken tussen deze beide kantons. Voor hen blijft het verbod op een overdracht tussen kantons een permanent aandachtspunt.

 


[1]    Parl. St., Kamer, 51-2534/003, p. 55.