search_api_autocomplete
Home

Toepasselijkheid van de uitzondering op de prospectusplicht of de plicht om een informatienota te publiceren op de VZW’s en de sociale ondernemingen

FSMA_Standpunt_2021_06

1.      Inleiding

In principe moet bij elke aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek met een totale tegenwaarde in de Europese Unie van meer dan 5.000.000 euro, berekend over een periode van twaalf maanden, een door de FSMA goedgekeurd prospectus worden gepubliceerd.

Volgens de wet van 11 juli 2018 op de aanbieding van beleggingsinstrumenten aan het publiek en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt (hierna ‘Prospectuswet’) geldt de prospectusplicht onder bepaalde voorwaarden niet voor bepaalde aanbiedingen aan het publiek. Zij voorziet in die gevallen wel in de verplichting om vooraf een informatienota te publiceren. Het gaat daarbij, onder meer, om de aanbiedingen van beleggingsinstrumenten aan het publiek met een totale tegenwaarde van 5.000.000 euro of minder in de Unie, berekend over een periode van twaalf maanden.

Er bestaan verschillende vrijstellingen van de verplichting om een door de FSMA goedgekeurd prospectus te publiceren of om een informatienota te publiceren.

Zo is de Prospectusverordening[1], die uitgevende instellingen verplicht om een prospectus te publiceren van zodra er sprake is van een openbare aanbieding van effecten[2], niet van toepassing op, o.a.: “effecten die zijn uitgegeven door verenigingen met een wettelijke status of instellingen zonder winstoogmerk, die door een lidstaat zijn erkend, met het oog op het aantrekken van de financiering die nodig is om hun niet-commerciële doelen te verwezenlijken” (cf. artikel 1, lid 2, e)).

Eenzelfde uitzondering geldt voor de verplichting om een informatienota te publiceren. Artikel 10, §2, 5° van de Prospectuswet bepaalt immers dat de verplichting om een informatienota te publiceren niet geldt voor: “de beleggingsinstrumenten uitgegeven door verenigingen met een wettelijk statuut of door instellingen zonder winstoogmerk die zijn erkend door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte, met het oog op het verwerven van de middelen die nodig zijn om hun niet-lucratieve doeleinden te verwezenlijken”.

De vraag stelt zich hoe deze uitzonderingen toegepast dienen te worden op de VZW’s en de sociale ondernemingen in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna ‘WVV’).

De uitzondering in artikel 1, lid 2, e) Prospectusverordening en in artikel 10, §2, 5° van de Prospectuswet kan ontleed worden als bestaande uit drie voorwaarden. De entiteit die zich op de uitzondering beroept, moet:

  • ofwel een vereniging met wettelijke status ofwel een instelling zonder winstoogmerk zijn;
  • door een lidstaat erkend zijn;[3] en
  • effecten uitgeven ter financiering van haar niet-commerciële doelen.

[1] Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG, hierna: ‘Prospectusverordening’.

[2] Zoals gedefinieerd in artikel 2, d) van de Prospectusverordening: “een in om het even welke vorm en met om het even welk middel tot personen gerichte mededeling waarin voldoende informatie over de voorwaarden van de aanbieding en de aangeboden effecten wordt verstrekt om een belegger in staat te stellen tot aankoop van of inschrijving op deze effecten te besluiten. Deze definitie is ook van toepassing op de plaatsing van effecten via financiële tussenpersonen”.

[3] De voorwaarde m.b.t. de ‘erkenning door een lidstaat’ vergt niet noodzakelijk een individuele erkenning.

 

Lees hier de volledige tekst van het standpunt.