Professionelen

Verhoging bij overlijden van een extralegaal voordeel dat op zich geen aanvullend pensioen is

FSMA_Standpunt_2020_03
12/11/2020

Werkgevers kennen bij overlijden van een werknemer soms een beperkte verhoging toe van een bestaand extralegaal voordeel dat op zich geen aanvullend pensioen is (bijvoorbeeld kinderbijslag, studiebeurs, …). De vraag rijst of dergelijke overlijdensdekking noodzakelijk als een aanvullend pensioen in de zin van de WAP moet worden beschouwd.

Zo’n verhoging kan als een onderdeel van dat extralegaal voordeel worden beschouwd, en dus niet als een overlijdensdekking die onder de WAP valt, indien aan volgende voorwaarden wordt voldaan:

  1. De verhoging van het extralegaal voordeel dat op zich geen aanvullend pensioen is, moet als bijzaak van dat voordeel kunnen worden beschouwd[1]. Hieruit vloeien volgende voorwaarden voort:
    • het extralegale voordeel wordt in beginsel verstrekt onafhankelijk van het overlijden van de werknemer. Anders kan er geen sprake zijn van een hoofdzaak waarvoor de beperkte verhoging in geval van overlijden als bijzaak zou kunnen gelden;
    • de verhoging van het extralegaal voordeel bij overlijden van de werknemer of diens partner mag niet te groot zijn in vergelijking met het bedrag van het extralegaal voordeel dat wordt toegekend zonder overlijden. Er mag dus geen twijfel over bestaan dat het extralegaal voordeel de hoofdzaak is en de aanvulling bij overlijden de bijzaak. Dit kan onder meer worden getoetst aan de hand van de wettelijke regeling waarop het extralegaal voordeel is geënt. Zo wordt, bijvoorbeeld, de wettelijke kinderbijslag met 50 % verhoogd bij het overlijden van één ouder en verdubbeld bij het overlijden van beide ouders (of van de enige ouder).
  2. De verhoging moet ertoe strekken om een aanvulling toe te kennen op een bestaand extralegaal voordeel met eenzelfde doel (bijvoorbeeld bijdragen in de kosten van studies van schoolgaande kinderen) en niet om een overlevingspensioen toe te kennen. Deze bedoeling moet contractueel ook duidelijk geformuleerd worden.

    Deze voorwaarde impliceert verder dat de toezegging beter niet gebeurt in een pensioenreglement, maar in een ander document of als een duidelijk onderscheiden onderdeel van de arbeidsovereenkomst.

Binnen dit referentiekader kan men de verhoging, bij overlijden van de werknemer, van een extralegaal voordeel dat op zich geen aanvullend pensioen is, beschouwen als een onderdeel van dat extralegaal voordeel en niet als een afzonderlijk aanvullend pensioen in de zin van de WAP. Een dergelijke verhoging van een extralegaal voordeel is dan ook niet onderworpen aan de externalisatieplicht bedoeld in artikel 2/1, § 1, 1° van de WIBP, noch aan de bepalingen van de WAP.

 


[1] Op grond van de rechtsregel 'accessorium sequitur principale'.