search_api_autocomplete

Vragen en antwoorden (FAQ’s) over de bankierseed en de tuchtrechtelijke regeling voor bankdienstverleners

De bankierseed is één van de maatregelen die ertoe strekken het vertrouwen van het publiek in de banksector te vergroten. Zijn hoofddoelstelling is ervoor te zorgen dat de medewerkers van de banksector meer individuele verantwoordelijkheid krijgen. De regeling berust op verschillende belangrijke basispijlers:

  • het uitwerken van tuchtregels die bij koninklijk besluit zijn uitgevaardigd;
  • het afleggen van een bankierseed, waarbij de betrokkene zich ertoe verbindt die tuchtregels te zullen naleven;
  • het opnemen van het tuchtrechtelijke optreden in de bevoegdheden van de FSMA;
  • het openen van een centraal register van tuchtsancties en beroepsverboden; en
  • het vereiste voor de betrokkene om, voorafgaand aan zijn aanstelling, een attest over te leggen dat bevestigt dat hem geen beroepsverbod is opgelegd.

Deze nieuwe regeling treedt in werking op 15 januari 2025 voor sommige medewerkers van de banksector en op 15 juli 2026 voor anderen.

  • Wie wordt geviseerd?

    De tuchtregels en de verplichting om de bankierseed af te leggen, gelden voor de bankdienstverleners, te weten:

    1. de zogenaamde fit & proper-personen, i.e. de personen die aan vereisten inzake passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid zijn onderworpen[1] (categorie 1);
    2. de verantwoordelijke leidinggevenden, i.e. de natuurlijke personen die de facto verantwoordelijk zijn voor of toezicht uitoefenen op de in punt 4 hieronder bedoelde personen (categorie 2);
    3. de agenten in bank- en beleggingsdiensten die bij de FSMA zijn ingeschreven als natuurlijke persoon (categorie 3); en
    4. de personen die rechtstreeks deelnemen aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten op het Belgisch grondgebied (categorie 4);

    in elk geval wanneer ze in België actief zijn bij de volgende geviseerde entiteiten:

    1. de Belgische of buitenlandse kredietinstellingen die in België zijn gevestigd[2]; of
    2. de agenten in bank- en beleggingsdiensten die in naam en voor rekening van dergelijke kredietinstellingen handelen.

    De geviseerde entiteiten moeten op hun beurt de bankdienstverleners identificeren, en van elke kandidaat voor een functie van bankdienstverlener de overlegging van een attest eisen dat bevestigt dat hem geen beroepsverbod is opgelegd.


    [1]     Bij de Belgische kredietinstellingen gaat het om de leden van het wettelijk bestuursorgaan, de personen belast met de effectieve leiding, alsook de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties. Bij de buitenlandse kredietinstellingen gaat het om de effectieve leiders en de verantwoordelijken voor de onafhankelijke controlefuncties van de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen uit derde landen. Bij de agenten in bank- en beleggingsdiensten die ingeschreven zijn als rechtspersonen, gaat het om de personen die belast zijn met de effectieve leiding.

    [2]     De activiteiten in het kader van de vrije dienstverlening worden dus niet geviseerd.

  • Welke personen nemen, bij een geviseerde entiteit, rechtstreeks deel aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten op het Belgisch grondgebied (categorie 4)?

    • Het verrichten van bankactiviteiten of –diensten

    De begrippen 'bankactiviteiten' en 'bankdiensten' worden gedefinieerd met verwijzing naar de bankreglementering. Het gaat daarbij dus om alle werkzaamheden die een kredietinstelling op geharmoniseerde wijze mag verrichten in het kader van het Europees paspoort. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het aanbieden van alle soorten rekeningen, het verlenen van krediet, het aanbieden van betalingsdiensten of het verstrekken van beleggingsdiensten.

    • De personen die rechtstreeks deelnemen aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten

    Dit begrip omvat met name de natuurlijke personen die rechtstreeks in contact staan met het publiek voor het verrichten van dergelijke activiteiten of diensten. De medewerkers van de zogenaamde frontofficediensten moeten dus als bankdienstverleners worden beschouwd.

    Verder omvat dit begrip de natuurlijke personen die, zonder in contact te staan met het publiek, handelingen stellen die deel uitmaken van of rechtstreeks voortvloeien uit het verrichten van bankactiviteiten of -diensten. Aldus kunnen ook bepaalde backofficemedewerkers worden geviseerd. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de personen die een rol spelen in de procedure van het aanbod of het sluiten van kredietovereenkomsten, of bij het nemen van beleggingsbeslissingen in het kader van het beheer van een portefeuille. Omgekeerd slaat dat begrip niet op de medewerkers van de informaticadienst van een geviseerde entiteit, de medewerkers van de juridische dienst of de medewerkers van een dienst die uitsluitend instaat voor de behandeling van klachten of de inning van schuldvorderingen.

    Het is aan de (Belgische of in België gevestigde buitenlandse) kredietinstellingen om de FSMA de lijst te bezorgen van de natuurlijke personen die, bij henzelf of bij hun agenten aan die definitie voldoen.

  • Wie zijn de verantwoordelijke leidinggevenden (categorie 2)?

    De verantwoordelijke leidinggevenden zijn natuurlijke personen die de facto een toezichthoudende of controlerende rol vervullen ten aanzien van andere bankdienstverleners, i.e. de personen die, bij een geviseerde entiteit, rechtstreeks deelnemen aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten op het Belgisch grondgebied (categorie 4). Dat toezicht moet meer bepaald betrekking hebben op de manier waarop die personen die activiteiten of diensten verrichten.

    Dit begrip stemt niet overeen met een bepaalde functie of hiërarchische positie. Het is in essentie feitelijk en gebaseerd op een identificatie in concreto bij elke geviseerde entiteit. Zo maken de verantwoordelijke leidinggevenden niet noodzakelijk deel uit van de directie van de geviseerde entiteit. De fit & proper-personen bij een geviseerde entiteit kunnen op hun beurt ook verantwoordelijke leidinggevenden zijn.

    Het is aan de (Belgische of in België gevestigde buitenlandse) kredietinstellingen om de FSMA de lijst te bezorgen van de natuurlijke personen die, bij henzelf of bij hun agenten, aan die definitie voldoen.

  • Wat moeten de bankdienstverleners doen?

    Voor de bankdienstverleners gelden twee hoofdverplichtingen en één nevenverplichting:

    1. ze leggen de bankierseed af;
    2. ze leven de tuchtregels na die als 'individuele gedragsregels' worden gekwalificeerd;
    3. ze tonen aan dat hun geen beroepsverbod is opgelegd op het moment waarop ze zich kandidaat stellen bij een geviseerde entiteit. 
  • Wat houdt de aflegging van de bankierseed in?

    De bankierseed is een individuele verklaring waarmee de bankdienstverlener zich ertoe verbindt de individuele gedragsregels na te leven. De eed wordt afgelegd in de volgende bewoordingen:

    “Ik verbind mezelf ertoe om, bij de uitoefening van mijn beroepsactiviteiten, in alle omstandigheden eerlijk en integer, alsook vakbekwaam en professioneel te handelen, waarbij ik rekening houd met de belangen van de cliënten en de cliënten billijk behandel. Ik heb kennisgenomen van de specifieke regels die de Koning ter zake heeft vastgesteld.”
     
  • Wanneer moet een bankdienstverlener de bankierseed afleggen?

    Een bankdienstverlener moet de bankierseed binnen zes maanden na de datum van zijn effectieve infunctietreding afleggen. De effectieve infunctietreding van de bankdienstverlener kan, naargelang het geval, contractueel zijn bepaald of uit feitelijke omstandigheden voortvloeien.

    Voor de fit & proper-personen van wie de benoeming aan de voorafgaande goedkeuring door de prudentiële toezichthouder of de FSMA is onderworpen, kan de termijn van zes maanden niet beginnen lopen zolang deze goedkeuring niet is gegeven.

    Voor de agenten in bank- en beleggingsdiensten die als natuurlijke personen handelen, zal die termijn pas kunnen beginnen lopen vanaf het moment waarop ze effectief in het register van de tussenpersonen in bank- en beleggingsdiensten zijn ingeschreven.

  • Bij wie moeten de bankdienstverleners de eed afleggen?

    De identiteit van de persoon ten overstaan van wie de bankdienstverleners de eed moeten afleggen, hangt af van:

    • het soort geviseerde entiteit waar ze actief zijn (kredietinstelling of agent in bank- en beleggingsdiensten); en
    • de categorie van bankdienstverleners waartoe ze behoren (categorieën 1 tot 4).

    Vanaf 15 januari 2025 voor de bankdienstverleners die actief zijn bij kredietinstellingen, en niet behoren tot de bankdienstverleners van categorie 4:

    • de bankdienstverleners die onderworpen zijn aan fit & proper-vereisten krachtens het Belgische recht[1] of het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER) leggen de eed af bij de FSMA:
      1. de fit & proper-personen krachtens het Belgische recht (categorie 1), nl. de fit & proper-personen bij Belgische kredietinstellingen en bij Belgische bijkantoren van kredietinstellingen uit derde landen; en
      2. de verantwoordelijke leidinggevenden (categorie 2) die onderworpen zijn aan fit & proper-vereisten krachtens het recht van de lidstaat van herkomst van de betrokken EER-kredietinstelling, met bijkantoor in België. 
    • de andere verantwoordelijke leidinggevenden dan deze bedoeld in voornoemd punt 2 (m.a.w. de verantwoordelijke leidinggevenden die niet onderworpen zijn aan fit & proper-vereisten krachtens het recht van een andere EER-lidstaat) leggen de eed af ten overstaan van een effectief leider van de kredietinstelling of van haar Belgische bijkantoor.

    Deze onderverdeling komt aan bod in een synthesetabel met een voor de sector bestemde cartografie.

    Vanaf 15 juli 2026: de bankdienstverleners,

    • die actief zijn bij kredietinstellingen en behoren tot de categorie 4 (andere personen die, op het Belgische grondgebied, rechtstreeks deelnemen aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten) leggen de eed in beginsel af ten overstaan van een effectief leider van de kredietinstelling of van haar Belgische bijkantoor. Enkel de bankdienstverleners die behoren tot de categorie 4, voor wie fit & proper-vereisten gelden krachtens het recht van een andere EER-lidstaat, leggen de eed af bij de FSMA;
    • die actief zijn bij agenten in bank- en beleggingsdiensten:
      • de bankdienstverleners die onderworpen zijn aan fit & proper-vereisten (categorieën 1 en 3), en die vanaf 15 juli 2026 in functie treden, leggen de eed af bij de FSMA;
      • de bankdienstverleners die onderworpen zijn aan fit & proper-vereisten (categorieën 1 en 3), en die vóór 15 juli 2026 in functie zijn getreden, leggen de eed af ten overstaan van een effectief leider van de kredietinstelling waarvoor ze handelen, of ten overstaan van een leider van het Belgische bijkantoor van die kredietinstelling;
      • de andere bankdienstverleners leggen de eed af ten overstaan van een effectief leider van de agent in bank- en beleggingsdiensten waarvoor ze handelen.

    Deze onderverdeling komt aan bod in een synthesetabel met een voor de sector bestemde cartografie.

    [1] I.e. de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, en de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.

  • Hoe verloopt de eedaflegging bij de FSMA?

    De eed wordt afgelegd ten overstaan van de voorzitter van de FSMA of, als hij afwezig is, ten overstaan van de ondervoorzitter van de FSMA of van twee leden van het directiecomité van de FSMA. 

    Er zullen minstens drie eedafleggingsbijeenkomsten per semester worden georganiseerd, wat neerkomt op minstens zes eedafleggingsbijeenkomsten per jaar. De datums van die bijeenkomsten en de inschrijvingsmodaliteiten ervoor zullen weldra op de FSMA-website worden gepubliceerd. 

    De eedaflegging zal schriftelijk worden bevestigd door de vertegenwoordiger van de FSMA. Deze schriftelijke bevestiging zal worden bewaard door de FSMA, die een kopie ervan aan de betrokken bankdienstverlener zal overhandigen.

  • Hoe verloopt de eedaflegging bij een kredietinstelling of een agent in bank- en beleggingsdiensten?

    Bij een kredietinstelling naar Belgisch recht wordt de bankierseed afgelegd ten overstaan van een effectief leider van die kredietinstelling. Bij een kredietinstelling naar buitenlands recht wordt de bankierseed afgelegd ten overstaan van een leider van het Belgische bijkantoor van die kredietinstelling. 

    Bij een agent in bank- en beleggingsdiensten wordt de bankierseed afgelegd ten overstaan van een effectief leider van die agent. 

    Elke geviseerde entiteit definieert de organisatorische modaliteiten van de eedaflegging. Er moet bijzondere aandacht worden besteed aan het plechtige karakter van de eed die ten overstaan van de betrokken leider moet worden afgelegd, en aan de naleving van de termijn van 6 maanden waarover de bankdienstverleners beschikken om de eed af te leggen. 

    De eedaflegging moet schriftelijk worden bevestigd door de (effectief) leider ten overstaan van wie de eed wordt afgelegd. De betrokken entiteit bewaart die schriftelijke bevestiging, overhandigt een kopie ervan aan de bankdienstverlener en stelt de bevestiging ter beschikking van de FSMA als deze daarom verzoekt.

    Weldra zal de FSMA de modellen voor de bevestiging van de eedaflegging die de kredietinstellingen en de agenten in bank- en beleggingsdiensten zullen moeten gebruiken, ter beschikking stellen van de banksector.

  • Moet een bankdienstverlener de bankierseed opnieuw afleggen wanneer hij functies cumuleert of van functie verandert?

    1. Het vereiste inzake de eedaflegging verschilt naargelang de bankdienstverlener de betrokken functies bij verschillende geviseerde entiteiten of bij eenzelfde geviseerde entiteit uitoefent.

      Treedt de bankdienstverlener in functie bij een andere geviseerde entiteit of cumuleert hij functies bij verschillende geviseerde entiteiten, dan moet hij de eed opnieuw afleggen.
    2. Wanneer de bankdienstverlener functies cumuleert of van functie verandert bij eenzelfde geviseerde entiteit, verschilt het vereiste inzake de eedaflegging naargelang de cumul of de functieverandering een eedaflegging impliceert bij een andere instelling/entiteit dan bij de geviseerde entiteit.

      Wanneer een bankdienstverlener functies cumuleert of van functie verandert bij eenzelfde geviseerde entiteit, kan hij effectief tot verschillende categorieën van bankdienstverleners behoren. Een bijkomende eedaflegging is dan alleen vereist wanneer de nieuwe of tweede functie een eedaflegging impliceert bij een andere instelling/entiteit dan bij de geviseerde entiteit. Deze regel wordt geïllustreerd aan de hand van de volgende praktijkvoorbeelden:
      • Een persoon die rechtstreeks deelneemt aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten (categorie 4) bij een kredietinstelling, zal de eed aanvankelijk ten overstaan van een effectief leider van die kredietinstelling hebben afgelegd.
        Als hij later verantwoordelijke leidinggevende (categorie 2) bij dezelfde kredietinstelling wordt, zal hij de eed niet opnieuw moeten afleggen.
        Als hij een fit & proper-persoon wordt, zal hij de eed moeten afleggen bij de FSMA. Dit kan met name worden verklaard door de specifieke gedragsvereisten voor fit & proper-personen en de sanctiebevoegdheden die voor hen verschillen. 
      • Op dezelfde manier zal een persoon die rechtstreeks deelneemt aan het verrichten van bankactiviteiten of –diensten (categorie 4) bij een agent in bank- en beleggingsdiensten, de eed aanvankelijk ten overstaan van een effectief leider van die agent hebben afgelegd.
        Als hij later verantwoordelijke leidinggevende (categorie 2) bij dezelfde geviseerde entiteit wordt, zal hij de eed niet opnieuw moeten afleggen.
        Wordt hij (vanaf 15 juli 2026) benoemd tot fit & proper-persoon, dan zal hij de eed afleggen bij de FSMA. Dit kan met name worden verklaard door de specifieke gedragsvereisten voor fit & proper-personen en de toezichtsbevoegdheden van de FSMA met betrekking tot de naleving van de vereisten inzake passende deskundigheid en professionele betrouwbaarheid van de agenten in bank- en beleggingsdiensten. 
      • Een effectief leider van een Belgische kredietinstelling zal wellicht de hoedanigheden van fit & proper-persoon (categorie 1) en verantwoordelijke leidinggevende (categorie 2) cumuleren. In dat geval zal hij de eed echter alleen moeten afleggen bij de FSMA en niet bij de kredietinstelling.
      • Een verantwoordelijke voor sleutelfuncties bij een Belgische kredietinstelling (categorie 1) zal de eed aanvankelijk bij de FSMA hebben afgelegd. Als hij later verantwoordelijke leidinggevende (categorie 2) bij dezelfde instelling wordt, zal hij de eed niet opnieuw moeten afleggen, ongeacht of hij zijn hoedanigheid van fit & proper-persoon al dan niet behoudt.
         
  • Waar zijn de gedetailleerde modaliteiten voor de aflegging van de bankierseed te vinden?

    De modaliteiten voor de aflegging van de bankierseed worden verduidelijkt in een reglement van de FSMA. De bepalingen van dat FSMA-reglement worden bovendien nader toegelicht in de commentaar daarbij.

  • Wat houden de individuele gedragsregels in?

    De individuele gedragsregels berusten op drie grondbeginselen, op grond waarvan de bankdienstverleners in alle omstandigheden

    1. eerlijk en integer, alsook
    2. vakbekwaam en professioneel moeten handelen, en 
    3. waarbij ze rekening moeten houden met de belangen van de cliënten en ze de cliënten billijk moeten behandelen.

    Deze individuele gedragsregels worden bij koninklijk besluit verduidelijkt. 

    Hierin staan zowel de begrippen eerlijkheid, integriteit, bekwaamheid en professionalisme, als de belangen en de billijke behandeling van de cliënten centraal.

    Enerzijds zullen de bankdienstverleners een reeks gemeenschappelijke regels moeten naleven. Een bankdienstverlener zal bijvoorbeeld geen nuttige informatie voor de cliënt mogen verhullen. Ook zal hij de potentiële winst van een bankproduct niet misleidend mogen voorstellen.

    Anderzijds zullen de fit & proper-personen (categorie 1) en de verantwoordelijke leidinggevenden (categorie 2) de vereisten moeten naleven die eigen zijn aan hun toezichtsrol. Zo zullen ze bijvoorbeeld bankdienstverleners er niet mogen toe aanzetten zich te gedragen op een manier die zou kunnen indruisen tegen de voor hen geldende vereisten, en zullen ze op passende wijze moeten optreden als ze zo’n gedrag bij bankdienstverleners vaststellen. 
     

  • Wat houdt het bewijs in dat geen beroepsverbod is opgelegd?

    De FSMA zal de tuchtsancties in een centraal register inschrijven, alsook de beroepsverboden opgelegd door de FSMA, de NBB of de ECB krachtens sectorale prudentiële reglementeringen. 

    Elke kandidaat voor een functie van bankdienstverlener zal bij de FSMA een attest kunnen aanvragen dat bevestigt dat hem geen van voornoemde beroepsverboden is opgelegd. 

    Om de bescherming van hun persoonsgegevens te garanderen, zullen enkel de kandidaten dat attest kunnen aanvragen bij de FSMA. Een geviseerde entiteit zal echter enkel een beroep kunnen doen op de diensten van een bankdienstverlener als deze vooraf een dergelijk attest van afwezigheid van beroepsberoep heeft verkregen. 

    De FSMA zal weldra het platform openen waarop elke kandidaat het attest kan aanvragen dat bevestigt dat hem geen beroepsverbod is opgelegd.

  • Welke sancties kunnen aan de bankdienstverleners worden opgelegd?

    De volgende tuchtsancties kunnen worden opgelegd als een bankdienstverlener een individuele gedragsregel overtreedt of de eed niet aflegt:

    1. een waarschuwing
    2. een berisping
    3. een beroepsverbod van maximaal 3 jaar.

    Bij een waarschuwing en een berisping kan ook de verplichting worden opgelegd om opleidingen te volgen.

    Het beroepsverbod kan betrekking hebben op alle of enkel bepaalde activiteiten van bankdienstverlener. Zo kan het beroepsverbod bijvoorbeeld beperkt blijven tot de functies van verantwoordelijke leidinggevende. De bankdienstverlener moet de geviseerde entiteit waar hij zijn activiteiten verricht, ervan op de hoogte brengen als hem een beroepsverbod is opgelegd. Zo niet, zal de FSMA de betrokken geviseerde entiteit daarvan zelf informeren.

    De FSMA publiceert de tuchtsancties die ze oplegt, anoniem op haar website. Bovendien worden die sancties in het centraal register van tuchtsancties en beroepsverboden ingeschreven.

  • Wie legt de tuchtsancties op aan bankdienstverleners?

    De FSMA legt de tuchtsancties op met inachtneming van de rechten van de verdediging. Ze moet daarbij rekening houden met bepaalde omstandigheden, zoals de ernst van de inbreuk, de impact ervan op de belangen en de reputatie van de banksector, of het vermogensnadeel dat de inbreuk met zich meebrengt voor derden.

    Tegen de sanctiebeslissing kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State.

    Om de exclusieve prudentiële bevoegdheid van de prudentiële toezichthouder ten aanzien van de fit & proper-personen bij kredietinstellingen te garanderen, zal de FSMA ten aanzien van hen geen sanctiebevoegdheid hebben. Als de conclusie van het onderzoek van de (adjunct-)auditeur luidt dat een fit & proper-persoon bij een kredietinstelling, een inbreuk heeft gepleegd op de regels inzake de bankierseed, zal de FSMA het tuchtdossier aan de NBB of, in voorkomend geval, aan de buitenlandse prudentiële toezichthouder overmaken, zodat de prudentiële autoriteiten hun prerogatieven ter zake kunnen uitoefenen[1].

    Als een bankdienstverlener een door de FSMA opgelegd beroepsverbod of een door de FSMA opgelegde verplichting om opleidingen te volgen, niet naleeft, kan deze hem bovendien een administratieve sanctie opleggen.


    [1]     De wet van 15 januari 2024 houdende diverse financiële bepalingen heeft bijvoorbeeld paragraaf 7 van artikel 236 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen hersteld. Deze voorziet in de mogelijkheid voor de NBB of de ECB om, in bepaalde gevallen, een beroepsverbod met betrekking tot de uitoefening van functies bij een kredietinstelling op te leggen waarvan de duur niet meer dan 5 jaar mag bedragen.

  • Wanneer wordt een tuchtprocedure tegen bankdienstverleners opgestart?

    De tuchtprocedure van de FSMA wordt opgestart als er ernstige aanwijzingen bestaan van inbreuken op de individuele gedragsregels of op de verplichting om de eed af te leggen.

    Die aanwijzingen kunnen worden vastgesteld bij het onderzoek van een klacht of bij de uitoefening van de andere wettelijke opdrachten van de FSMA. Het is echter niet zo dat er controles zullen worden uitgevoerd die er specifiek toe strekken inbreuken op te sporen.

  • Wie kan een klacht indienen?

    Eenieder kan een klacht indienen als hij, in hoofde van een bankdienstverlener, een vermeende afwezigheid van eedaflegging of een eventuele inbreuk op de individuele gedragsregels vaststelt. 

  • Hoe kan een klacht worden geformuleerd?

    De FSMA zal weldra specifieke communicatiekanalen ter beschikking stellen voor het ontvangen en de follow-up van klachten. Ze zal op haar website onder meer de te gebruiken elektronische en postadressen, en de geldende procedure voor de indiening van klachten publiceren.

  • Aan welke criteria moet een klacht voldoen om te worden onderzocht?

    De (adjunct-)auditeur van de FSMA zal de klachten onderzoeken die aan de volgende criteria voldoen:

    1. de klacht moet gedocumenteerd zijn, wat betekent dat ze de volgende elementen moet bevatten:
      1. de naam en de voornaam van de betrokken bankdienstverlener en, in voorkomend geval, de post die hij bekleedt;
      2. in voorkomend geval, de naam van de geviseerde entiteit waarbij de betrokken bankdienstverlener actief is;
      3. de beschrijving van de betwiste feiten;
      4. de betrokken periode;
      5. de aard van de vermoedelijke tuchtrechtelijke inbreuk;
      6. het bewijsmateriaal voor het bestaan van de vermoedelijke tuchtrechtelijke inbreuk;
      7. elk ander pertinent element.
    2. de klacht moet bewijskrachtig zijn, wat betekent dat de meegedeelde elementen voldoende ernstige aanwijzingen van een tuchtrechtelijke inbreuk moeten vormen; 
    3. de klacht moet ernstig zijn, wat betekent dat ze niet mag slaan op aanwijzingen van een inbreuk die duidelijk van geringe betekenis is. 
       
  • Welke informatie zal later aan de melder van de klacht worden verstrekt?

    Gelet op het beroepsgeheim waardoor de FSMA en haar personeelsleden zijn gebonden, zal de melder van de klacht niet worden geïnformeerd over het gevolg dat aan zijn klacht wordt gegeven. De (adjunct-)auditeur kan de melder van de klacht echter verzoeken om verduidelijkingen of bijkomende informatie te bezorgen.

  • Waar zijn de gedetailleerde modaliteiten voor het ontvangen, de ontvankelijkheid en de behandeling van klachten te vinden?

    De regels en modaliteiten voor het ontvangen, de ontvankelijkheid en de behandeling van klachten worden verduidelijkt in een reglement van de FSMA. De bepalingen van dat FSMA-reglement worden bovendien nader toegelicht in de commentaar daarbij.

  • Hoe verloopt de tuchtprocedure ten aanzien van de bankdienstverleners?

    De ernstige aanwijzingen van een inbreuk worden door de auditeur van de FSMA of, in zijn afwezigheid, door de adjunct-auditeur onderzocht. Dat onderzoek gebeurt met inachtneming van de rechten van de verdediging. De (adjunct-)auditeur kan het advies inwinnen van de betrokken geviseerde entiteit, zich door iedereen informatie laten bezorgen of hoorzittingen organiseren.

    Na afloop van zijn onderzoek stelt de (adjunct-)auditeur een voorlopig onderzoeksverslag op. De bankdienstverlener wordt verzocht zijn eventuele opmerkingen daarbij te formuleren. De betrokken bankdienstverlener kan vragen dat bijkomende onderzoeksdaden worden gesteld. Daarna stelt de (adjunct-)auditeur een definitief onderzoeksverslag op.

    Pas na dat onderzoek door de (adjunct-)auditeur zal de FSMA de bankdienstverlener een tuchtsanctie kunnen opleggen.

    Indien het definitieve verslag van de (adjunct-)auditeur betrekking heeft op een fit & proper-persoon die actief is bij een kredietinstelling, zal de FSMA het tuchtdossier overmaken aan de NBB of, in voorkomend geval, aan de buitenlandse prudentiële toezichthouder.

  • Welke informatie bevat het centraal register van tuchtsancties en beroepsverboden?

    De tuchtsancties die de FSMA krachtens de tuchtregeling oplegt, zullen in een centraal register worden ingeschreven. Dat register zal de volgende gegevens bevatten: de identiteit van de bankdienstverlener aan wie een sanctie is opgelegd, het soort sanctie dat is opgelegd, en de datum waarop de sanctie is opgelegd.

    Dat centrale register zal ook de beroepsverboden vermelden die de FSMA, de NBB of de ECB oplegt krachtens de reglementeringen die van toepassing zijn op de kredietinstellingen, de beursvennootschappen en de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies.

    De FSMA zal bijgevolg optreden als enig loket.

    Elke kandidaat voor een functie van bankdienstverlener zal bij de FSMA een attest kunnen aanvragen dat bevestigt dat hem geen van voornoemde beroepsverboden is opgelegd. De kandidaat zal dat attest aan elke geviseerde entiteit moeten afleveren voor hij een functie van bankdienstverlener zal kunnen uitoefenen.

  • Wat moeten de geviseerde entiteiten doen?

    De geviseerde entiteiten zijn aan twee verschillende verplichtingen onderworpen:

    1. de (Belgische of in België gevestigde buitenlandse) kredietinstellingen maken de lijst van de bankdienstverleners op die bij hen of, voor hun rekening, bij agentschappen werkzaam zijn, en bezorgen die lijst aan de FSMA;
    2. alle geviseerde entiteiten eisen dat elke kandidaat voor een functie van bankdienstverlener hun een kopie bezorgt van het attest dat bevestigt dat hem geen beroepsverbod is opgelegd.
  • Welke informatie bevat de lijst van de bankdienstverleners?

    De (Belgische of in België gevestigde buitenlandse en in België gevestigde) kredietinstellingen maken de lijst van de bankdienstverleners op die bij hen of, voor hun rekening bij agentschappen werkzaam zijn. Deze lijst vermeldt de categorie of categorieën van de betrokken bankdienstverlener en de datum waarop hij de eed heeft afgelegd.

    De kredietinstellingen brengen deze lijst van bankdienstverleners alsook de actualiseringen ervan ter kennis van de FSMA.

    De modaliteiten voor de opstelling en de kennisgeving van deze lijst zullen worden bepaald en op de website van de FSMA worden bekendgemaakt.

  • Welke sancties kunnen aan de geviseerde entiteiten worden opgelegd?

    De FSMA kan een geviseerde entiteit een administratieve sanctie opleggen wanneer deze één van de twee in de vraag 'Wat moeten de geviseerde entiteiten doen?' vermelde verplichtingen niet naleeft.

  • Wanneer treedt deze nieuwe tuchtregeling in werking?

    Deze nieuwe regeling treedt vanaf 15 januari 2025 in werking voor de fit & proper-personen (categorie 1) en de verantwoordelijke leidinggevenden (categorie 2) die actief zijn bij kredietinstellingen. Dit betekent dus dat vanaf die datum:

    • die bankdienstverleners de individuele gedragsregels in het kader van hun beroepswerkzaamheden zullen moeten naleven;
    • die bankdienstverleners over een termijn van zes maanden zullen beschikken om de eed af te leggen, i.e. tot 15 juli 2025 of binnen zes maanden na hun effectieve infunctietreding als deze na 15 januari 2025 valt;
    • de kredietinstellingen de lijst van die bankdienstverleners zullen moeten opstellen; en
    • de kredietinstellingen van elke kandidaat voor een post van fit & proper-persoon of van verantwoordelijke leidinggevende de overlegging van een attest zullen moeten eisen dat bevestigt dat hem geen beroepsverbod is opgelegd.

    Voor alle andere bankdienstverleners gaat de regeling in op 15 juli 2026.

    Dit betekent dus dat vanaf die datum:

    • die andere bankdienstverleners de individuele gedragsregels in het kader van hun beroepswerkzaamheden zullen moeten naleven;
    • die andere bankdienstverleners over een termijn van zes maanden zullen beschikken om de eed af te leggen, i.e. tot 15 januari 2027 of binnen zes maanden na hun effectieve infunctietreding als deze na 15 juli 2026 valt;
    • de kredietinstellingen de lijst zullen moeten opstellen van die bankdienstverleners die bij hen of, voor hun rekening, bij agentschappen werkzaam zijn; en 
    • de kredietinstellingen en de agenten in bank- en beleggingsdiensten van elke kandidaat voor een post van bankdienstverlener de overlegging van een attest zullen moeten eisen dat bevestigt dat hem geen beroepsverbod is opgelegd.